Tijdens de
Sjoa, de Holocost, heb ik een aantal joden geholpen hun leven te
redden in het door Nazi’s bezette Europa. Ik deed dit op eigen
risico en was in overtreding met de toen geldende wetten, die stelden
joden schuldig aan al het slechte en hun vervolging, teistering,
deportatie en vermoording werd bevolen. In de wetenschap, dat als
ik ontdekt werd ik hetzelfde lot zou ondergaan als de vervolgden,
reageerde ik eigenlijk zonder veel na te denken, wat kon ik anders
doen bij het zien van al het leed,vernedering, onrecht en moord.
Deze mensen
werden niet beschuldigt van iets dat zij gedaan hadden - zij werden
beschuldigt van het feit dat zij geboren waren.. Zij werden vervolgt
om redenen die zij niet konden begrijpen en zonder in staat te zijn
zich te verdedigen of hun kinderen te beschermen. Het was voor mij
onmogelijk daarbij onverschillig te blijven, alhoewel zij geen familie
of vrienden van mij waren, soms zelfs volslagen vreemden. Ik kon
niet mijn eigen leven blijven leiden zonder iets te ondernemen.
Zelfs als zij misschien anders dachten, anders geloofden, anders
spraken of er anders uitzagen, zij waren immers miijn medemensen.
Integendeel, ik herkende mijzelf in al deze mensen, bewust dat van
hen uit gezien, ik de andere was. Alles wat menselijk is, is verschillend
en de verschillen tussen personen en tussen groepen maken deel uit
van onze gezelschap. Dus als men anderen wat aandoet is het alsof
men het mij aandoet. Wat er om me heen gebeurt is gedeeltlijk ook
mijn veranwoording. Ik overwon de verleiding mij er in te berusten
dat men toch niets kon doen. En ik was niet de enige. Alhoewel er
niet zovelen waren, ook anderen net als ik konden met hun gedrag
bewijzen dat men altijd wel iets kon doen.
Natuutlijk was
ik bang, natuurlijk was het niet makkelijk, natuurlijk stond ik
angsten uit wat mij kon gebeuren en verlangde vaak naar mijn verloren
gemak. Maar het waren geen tijden voor klagen, of nostalgie of om
zwakte te tonen. De gruwel om me heen drongen op actief deelnemen
aan. Onderduikadressen moesten gevonden worden, goede valse papieren,
geld, levensmiddelkaarten en medicijnen moesten worden geregeld.
En voor alle voorkomende problemen moest een oplossing worden gevonden.
Ook moest ik anderen overtuigen mee te helpen. Anderzijds moest
ik mijn werkzaamheden voor buren, kennissen, vrienden en familileden
vaak geheim houden en de schijn van een gewoon normaal leven ophouden.
Ik was gedwongen te liegen om geen verdachtmaking te wekken.
Ik wist dat
men mij kon ontdekken, waardoor ik buitengewoon voorzichtig moest
zijn en had het geluk, wat velen niet hadden, om niet verraden te
worden en er met succes in slaagde enige mensenlevens te kunnen
redden.
Het was uitdrukkelijk
verboden wat ik deed. Ik wist dat ik de misdaad beging welbewust
en vastberaden, in volle overtuiging, de wet te trotseren. Negerend
wat wettelijk was, koos ik wat ik aannam dat wettig was, wat ik
voor goed hield. Een wet die terreur beveelt kan ik niet accepteren.
Zelfs als het
propagandasysteem er in volhardde dat wij het niet met mensen te
doen hadden, maar met onmensen, vijanden, die maar beter verdwijnen
moesten, zag ik in iederéén een mens net als ik zelf,
met hetzelfde recht om te leven, net als ik had. Er zijn morele
voorschriften die boven, welke wet ook, staan.Zij leiden ons en
ik probeer dit aan mijn kinderen over te leveren, zodat zij op hun
beurt het aan hun kinderen zullen overbrengen.
Goed is voor
mij een duidelijk en éénvoudig begrip, het kan samengevat
worden als “U zult uw naasten liefhebben als Uzelf”
en ik zie elk mens als mijn naaste, hoe zij ook mogen denken,geloven,
spreken, of uitzien.
Dit is mijn
nalatenschap. Dit is wat men mij bijgebracht heeft. Dit is ook wat
ik geleerd heb. Wat ik deed heeft geen speciale verdienste noch
heeft men er een speciale kennis voor nodig.
Het was wat
te doen was.